blog 1 Stephen Westra
Nederlandse Ravel
Woensdag 19 oktober is er een concert waar ik graag heen wil. The Amsterdam Chamber Soloists. Uitstekende musici, met de jonge briljante pianist Thomas Beijer als frontman. Laatstgenoemde doet steeds meer van zich horen en gelukkig maar. Op het programma Ravels pianotrio en zo’n heerlijk diepgravend, zieldoorvorsend kwartet van Brahms. Dat kan niet meer stuk, op voorhand niet.
En toch. Weet u, ik zou niet voor Ravel gaan, en zelfs niet voor Brahms. Ik zou eigenlijk gaan voor… Escher. Rudolf Escher. Z’n ‘Trio à cordes’ uit 1958. Om twee redenen. Eén: ik ben benieuwd. Twee: omdat hij gespeeld wordt.
Want ik erger me er wel eens aan dat er zo weinig Nederlandse muziek op onze podia klinkt. Nederlanders weten hun muziek in het algemeen niet best aan de man te brengen. Neem deze Rudolf Escher. Een jongere neef van Maurits Cornelis, de graficus. Die dan weer wél heel goed gaat, wereldberoemd is (onze schilders hebben het altijd het beste gedaan). Wanneer ik niets zou zeggen, en ik zette Eschers orkestwerk ‘Musique pour l’esprit en deuil’ uit 1947 voor u op, denkt u waarschijnlijk: ik wist niet dat Ravel dit óók nog gecomponeerd had. Schitterend. Donker maar schitterend. Wat een subtiliteit aan klank. Maar is het wel Ravel? Het klinkt toch anders, er schuilt nieuwe eigenheid in. Draai ik ‘Hymne du Grand Meaulnes’, hoort u alweer een evenknie van Ravel en Debussy. Verraad ik dan de titel van mijn derde plaatje, ‘Le Tombeau de Ravel’, dan is dat dus per definitie geen Ravel maar… ‘Vertel het nou?!’ ‘Escher,’ zeg ik. Beetje trots want ik ben ook Nederlander. ‘Onze Rudolf Escher.’
Ik zei: wij Nederlanders verkopen onszelf slecht. Alla, soms wordt het geprobeerd. Zo’n probeersel is bijvoorbeeld een boek met de titel ‘Het honderd componistenboek’. Klinkt best toegankelijk toch en ik verwacht dat het me enthousiast zal maken voor al wat ik nog niet wist. Ik sla het stukje over Rudolf Escher open en… ik sla het direct weer dicht, want:
‘Centraal in [Eschers idioom] staat een voorkeur voor polymelodische, lineair gedachte, maar tegelijkertijd harmonisch uitgewerkte structuren die tot geladen, complexe, maar altijd helder vormgegeven contrapuntische weefsels zijn uitgebouwd.’ Verderop gaat het er vooral over dat Escher zijn werken bij bosjes weggooide. Deze woorden remmen mijn enthousiasme. Wie van plan was Escher eens te leren kennen, komt onmiddellijk op die goede gedachte terug. Zelfs al vergunt de zuinige auteur het zich ergens maar liefst van Eschers ‘zang van gecontroleerde extase’ te gewagen.
En in meer publicaties lijkt het wel of het Nederlandse componisten er om te doen is de concertbezoeker met ‘polymelodische, lineair gedachte contrapuntische weefsels’ voor schier onoplosbare wiskundige raadsels te plaatsen. Kijk, en daarom wil ik 19 oktober naar The Amsterdam Chamber Soloists. Dol op Brahms, en vol verwachting van Escher.
Stephen Westra