blog 6 Stephen Westra

Katers, altviolen

Of het nou zo’n beste week was weet ik niet. Het hagelde. En ’t sneeuwde. En – ’t was er zó koud… Terwijl het nog niet eens kerst is. Maar, er kwam iets tussenbeide. Want in één week deed ik twee mooie ontdekkingen.
Donderdagmiddag kwam een vriendin aanlopen met drie dikke boeken. Te dikke boeken. De Verzamelde Toneelwerken van Herman Heijermans. Voor mij. Dank je, mompelde ik, niet eens zo blij. Het verbaasde me dat het ‘Verzameld’ werk heette en niet ‘Verzaameld’, want volgens mij is de heer H.H., behalve dan als auteur van Op Hoop van Zegen, vergeten, ouderwets en verstoft – grondig verstoft. Die gaan zodra M. de deur uit is naar het antiquariaat, wist ik.
Echter, iets hield me tegen. Van Oorschot heeft ze zo mooi uitgegeven, in bordeauxkleurige linnen band: ik kon ze voor de lullige €15 die ze me waarschijnlijk zouden opbrengen, niet laten gaan. En toen vond ik het ook te slap om de hele H.H. alleen maar voor het mooi in de kast te zetten en sloeg ’s avonds eens één van de 2392 pagina’s dundruk op. ‘De wijze kater. Een boosaardig sprookje in drie bedrijven’. Uit 1917. Maar wat een grappig toneelstuk is dat! En, de titel getrouw, hoe wijs! Niks van het feit dat Heijermans een krachtig SDAP-lid was lees je er in, niks socialistisch-moraliserends – wél dat de Eerste Kamer er onlangs met z’n goedkeuring van onverdoofd ritueel slachten weer gruwelijk naast zit, zoals blijkt uit dit brokje dialoog tussen baas Jonathan en zijn sprekende kater:
KATER: Ik ben in beginsel tegen muizenvallen en voor de natuur. En omdat in de natuur alles natuur is, en de natuur zich nóóit vergist, lach ik om de onnatuur, die jullie [de menselijke] natuur is. Begrepen?
JONATHAN: Eerlijk gezegd: néé.
KATER: Dan zal ik je een voorbeeld uit duizenden geven. Als ik verliefd raak en de zij van hiernaast […] dito op mij, dan vliegen we mekaar aan en takelen elkaar toe tot onze klauwen geen fut meer hebben, maar dan begint de eensgezindheid en de liefde. Dat is natuur. Bij jullie begint het met vergevingsgezindheid en liefde, maar eindigt het met elkaar aanvliegen en toetakelen. Dat is onnatuur.’
Ik kikkerde van dit 1917e proza erg op.
En dan was er nog ontdekking nummer twéé. Eveneens van kunstzinnige aard. Vrienden vroegen of ik wilde meedoen met het Strijkkwintet van Schubert. Ik speel al jaren viool maar of ik nu altviool wilde spelen. Ach, waarom niet. Het vooroordeel dat de alt is bedoeld voor mensen die maar beter geen viool kunnen gaan spelen, moest maar eens opzij. Yuri Bashmet is toch niet gek. En Isabelle van Keulen en Nikolaj Znaider niet. Bach, Mozart en Dvorák, grote altminnaars, óók niet.
Wennen was het even. Je zit er als violist steeds naast. Hij is een kwint lager gestemd zodat je steeds op de verkeerde snaar zit, en die altsleutel, die altsleutel… het is een soort geheimschrift zoals je dat vroeger had met een paar vriendjes: a=b, b=c, c=d etc. Om tureluurs van te worden. Het is de noten gewoon maar in je hoofd stampen en je partij alleen maar lezen voor het ritme. God zegene de greep, straks.
Maar toen ik het onsierlijk aanvoelend instrument een beetje onder de knie, pardon kin, had werd ik gegrepen. Een stevig kereltje met karakter! Wat is hij lekker sterk na de viool! Stug, je moet kracht zetten! De alt zingt niet, is hees en bromt een beetje, knort en piept soms op de hoogste snaar maar allemaal heel goedmoedig hoor. En die zalige lage c-snaar. Als violist voel je je als iemand die op een goede dag ontdekt dat hij onder z’n huis nog een ruime kelder heeft.
Wat een week! En nog 2300 pagina’s Heijermans en de complete alt-literatuur voor wanneer het de komende tijd niet alleen regen en sneeuw maar ook nog ijs wordt…

Reageren? Dat kan via: blog@muziekgebouweindhoven.nl